Hulplijnen


Voorbeeldschool 


Fotograferen: hoe doe ik dat?

Deze tien tips zullen je helpen:

1. Camera.
Controleer voor je op pad gaat je camera. Is de accu geladen? Heb je een geladen reserve accu of batterijen bij je ? Controleer je basis instellingen en zet je camera op 400 ISO, de hoogste JPEG beeldkwaliteit (fine) en de witbalans op Automaat. En de flitser uit. Stop een lege geheugenkaart in je camera en neem ook een reservekaart mee.

2. Wat is je doel.
Bedenk vooraf wat het doel is van deze foto’s. Is het een illustratie bij een interview of verhaal van iemand anders. Informeer je dan over de persoon en het interview om vooraf te bedenken welk beelden aansluiten bij de persoon /het interview. Sta ook open voor kansen die zich onverwacht aandienen.

3. Research.
Onderzoek je thema voor Eigentijds Amersfoort op fotografeerbare onderwerpen en
baken je thema af. Je kiest eerst een thema: bijvoorbeeld entertainment, mode, mobiliteit, wonen, etc.  Maak vervolgens zelf eerst een lijst van elk foto onderwerp wat je te binnen schiet  over dit thema. Vervolgens duik je de bibliotheek of een digitaal archief in om te  zien welke ondewerpen er door de jaren heen gepubliceerd is over dit thema. Door oude publicaties te bekijken valt opeens beter op wat van deze tijd is.

4.Toestemming nodig?
In de openbare ruimte, zoals bijvoorbeeld de straat, mag je iedereen fotograferen. Het helpt als je jezelf even voorstelt en uitlegt dat het voor een schoolproject is. De ervaring leert dat de meeste mensen mee willen werken. (Ga mensen die enorme drukte over de foto’s blijven maken uit de weg. Er zijn genoeg andere plekken om je foto’s te maken.) Je mag deze foto’s ook publiceren. Wat niet mag is dubbelzinnige, niet juiste informatie, die de goede naam van iemand kunnen schaden, aan de foto toe voegen en publiek maken. Voor het maken van foto’s in winkels of woonhuizen/tuinen heb je wel toestemming nodig. Dat is meestal goed te regelen maar doe dit RUIM vooraf, het kost vaak veel tijd.

5. Wees beleefd.
Blijf geduldig en vriendelijk en bedank mensen voor hun tijd en medewerking.

6. Planning.
Als je portretten gaat maken bespreek dan van te voren dat je graag meerdere foto’s
wil maken bijvoorbeeld op een paar plekken.  Zo wordt duidelijk dat je niet in 2 minuten klaar bent.

7. Wat doet licht met je beeld?
De keuze voor het soort licht geeft ook betekenis aan het beeld. Probeer het maar uit: Een vlakke verlichting maakt de foto saai. Gebruik je de afwisseling van licht en schaduw in een beeld dan wordt je verhaal levendig. Wat doet flits met je beeld ?
Kies het licht wat bij je verhaal past.

8. Experimenteer en varieer.
Maak vooral veel verschillende foto’s: een staande en een liggende opname, een hoger en een lager standpunt. Dichterbij en nog dichterbij. Kies ook nog een andere achtergrond. Kies nog een ander moment of een andere houding etc etc.
Gaandeweg doe je vaak de beste ideeën op.

9. Selecteren.
Maar vergeet niet om daarna streng te selecteren. Je hebt niets aan een lading beeld als je geen keus kan maken en geen orde kan aanbrengen. Hou er in de planning rekening mee dat selectie aandacht en concentratie en dus veel tijd vraagt.

10. Archiveren.
Zet bij thuiskomst je beelden meteen op de computer in mapjes. Zo kan je de foto’s snel terugvinden en is je geheugenkaart weer leeg. Maak eerst een mapje ‘Orgineel’: zet het onderwerp, de datum en je naam erbij. Maak van dit mapje meteen een duplicaat./copy. Maak in dat duplicaat mapje een map ‘selectie’ en een map ‘overig’ (gooi nog niets definitief weg.) Zet altijd op elk mapje weer het onderwerp, datum en je naam. Neem de mapjes op een geheugenstick mee naar dit lesproject.

Tekst: Ellen Karelse