
Dat weet je nu. Namelijk: met een pakkende beginzin. Misschien heb je die al en weet je al waarover je wilt gaan schrijven. Als je dat nog niet weet dan hoef je niets te doen. Ga niet heel hard nadenken. Het onderwerp komt vanzelf. Misschien hoor je een gesprek bij de bushalte tussen twee meisjes en erger je je aan een bepaald modewoordje dat zij gebruiken. En zie: daar is je onderwerp.
Schrijf nu jouw mening over het onderwerp op: ben er ervoor of ertegen, of was het je nog niet opgevallen? Het maakt nog niet uit hoe je het opschrijft, als je het maar simpel houdt en niet teveel zijwegen inslaat. Maak korte zinnen. Een duidelijk voorbeeld verlevendigt het verhaal. Je mag overdrijven, zo krijgt het verhaal humor.
Hou altijd je lezerspubliek in gedachten. Schrijf alsof je het tegen een vriend of vriendin vertelt. Bouw spanning op in je verhaal. Het is leuk als de lezer door de laatste zin wordt verrast of dat hij aan het nadenken wordt gezet over het onderwerp.
Laat de tekst een dag liggen. Dan kun je er weer fris tegenaan kijken.
Lees de column hardop. Kort de column nu in tot het gewenste aantal woorden. Haal overbodige zinnen eruit. Delete woorden of gebruik andere woorden (woordspelingen) die beter aansluiten bij het onderwerp. Soms kun je meer spanning opbouwen door stukken van je tekst om te gooien. Bijvoorbeeld door het einde aan het begin te zetten. Lees de tekst daarna nog een paar keer voor. Je voelt dat het door het inkorten steeds lekkerder leest, je column krijgt ritme. En vergeet niet te af te sluiten met die pakkende eindzin.
Op een geven moment zie je zelf niet meer of je er nog wat aan moet veranderen. Laat de tekst nu lezen aan iemand anders. Iemand waarvan je weet dat hij eerlijk durft te zijn. Die durft te zeggen dat hij een zin niet snapt. Dat noem je opbouwende kritiek. Je kunt er wat van leren en je tekst wordt er beter door.
Als laatste verzin je een titel voor je column. Maar let er wel op dat je de inhoud van de tekst niet zomaar weggeeft.
Tekst: Bibliotheken Eemland/ Annette Verspoor